Prestatieafspraken: de gemeente is niet de baas

Als het niet lukt om tot prestatieafspraken te komen, dan kunnen de drie daarbij betrokken partijen – woningcorporaties, gemeenten en huurdersorganisaties – het geschil dat in de weg staat aan de totstandkoming voorleggen aan de Minister. Die geeft vervolgens met in acht neming van het advies van de Adviescommissie geschilbeslechting prestatieafspraken Woningwet (de commissie Dekker) een bindend advies over het geschil.

190522-artikel-rg.jpg

Geschil in Rotterdam

Eind 2018 lukte het Woonbron, de gemeente Rotterdam en de huurdersorganisatie van Woonbron niet om tot (volledige) prestatieafspraken te komen. Het conflict draaide om de vraag in hoeverre de gemeente Rotterdam Woonbron kon verplichten om bij te dragen aan de herstructurering van particulier woningbezig in Rotterdam-Zuid. Deze vraag valt uiteen in twee deelvragen: allereerst ligt de vraag voor of de gemeente Rotterdam überhaupt van Woonbron een bijdrage kan vragen aan de herstructurering van particulier bezit. Ten tweede ligt de vraag voor of de gemeente Rotterdam aan Woonbron kan voorschrijven hoe zij haar middelen besteed. Gisteren, 21 mei 2019, werd in dit geschil het bindende advies van Minister Ollongren, en het daaraan ten grondslag liggende advies van de commissie, gepubliceerd.

Herstructuring in de prestatieafspraken

Met betrekking tot de eerste vraag is het antwoord genuanceerd bevestigend. Prestatieafspraken kunnen betrekking hebben op een breed scala aan onderwerpen die behoren tot het gebied van de volkshuisvesting. Ook herstructurering kan onderwerp van gesprek zijn, en de gemeente kan daarbij een bijdrage van de woningcorporatie vragen. Wel is het daarbij de vraag of de herstructurering van particulier bezit onder de definitie van herstructurering valt die opgenomen is in het BTIV; aankopen ten behoeve van sloop is wel mogelijk, maar de aangekochte woningen moeten ten tijde van de aankoop binnen de daeb-tak passen. Als dat niet het geval is, is het maken van prestatieafspraken op dit punt lastig, omdat het dan gaat om werkzaamheden waarvoor de markttoets en de ministeriële toestemmingsprocedure noodzakelijk zijn.

Verplichte bijdrage?

Fundamenteler is het oordeel over de tweede vraag. Die gaat namelijk om de vraag wat de verhouding is tussen de gemeente en de woningcorporatie. In het onderzoek naar de juridische effecten van de Woningwet, dat ik met mijn collega’s Hans van Doesburg en Jos van den Mosselaar uitgevoerd heb voor de Aedes-commissie Van Bochove, hebben wij al gesignaleerd dat hier in de praktijk problemen ontstonden. Sommige gemeenten, waaronder de gemeente Rotterdam, stelden zich op het standpunt dat met de inwerkingtreding van de herziene Woningwet woningcorporaties onder de aansturing van de gemeente vallen, waarmee de gemeente de woningcorporatie kan verplichten bepaalde onderdelen van de gemeentelijke woonvisie uit te voeren. Dat standpunt wordt door de Commissie (integraal overgenomen door de Minister) terecht van tafel geveegd.

Geen hiërarchie: gemeente is niet de baas

Weliswaar is het zo dat in de herziene Woningwet de positie van de gemeente beter verankerd is, en het is ook zo dat dat woningcorporaties geacht worden naar redelijkheid hun bijdrage te leveren aan het volkshuisvestelijke beleid van de gemeente, maar er is nadrukkelijk geen hiërarchische relatie tussen gemeente en woningcorporatie beoogd. Uit de Woningwet volgt niet dat de gemeente het beleid van de woningcorporatie bepaalt. In het kader van de prestatieafspraken zijn gemeente en woningcorporatie gelijkwaardig, en de afspraken worden gemaakt op basis van wilsovereenstemming. Dit betekent dat een gemeente en woningcorporatie nooit kan verplichten om een bepaalde bijdrage te leveren. In dit bindende advies van de Minister wordt duidelijk: de gemeente is niet de baas.

Dat betekent overigens niet dat woningcorporaties zich niets hoeven aan te trekken van de wensen van gemeenten. Partijen zijn gelijkwaardig, en het vertrekpunt voor de prestatieafspraken blijft het gemeentelijke volkshuisvestelijke beleid. Het is echter duidelijk dat de redelijke bijdrage van een woningcorporatie aan dat beleid niet kan worden voorgeschreven door de gemeente.

In het bindende advies van de Minister geeft zij de gemeente Rotterdam en Woonbron (en haar huurdersorganisatie) in overweging om opnieuw in overleg te treden. Dit advies in acht genomen, zal de gemeente Rotterdam zich daarbij minder dwingend op moeten stellen.

Als u vragen heeft over dit artikel, over prestatieafspraken, of over andere Woningwet-kwesties, kunt u contact opnemen met Rogier Goeman.

Pagina printen:Printen
Relevante nieuwsberichten