Verhuurders kunnen na het vertrek van een huurder uit de woning geconfronteerd worden met een achterblijvende partner zonder huurrechtelijke status. Hoe dient een verhuurder daarmee om te gaan? Kan de partner nog aanspraak maken op de woning of dient de woning te worden ontruimd? De rechtbank Den Haag heeft zich onlangs gebogen over deze vraag. De achtergebleven partner kreeg van de rechter de wind in de rug, iets waar de verhuurder de gevolgen van ondervond.
Medehuurderschap na relatiebreuk: wat zegt de rechter?
Wat speelde er?
Huurder huurde met ingang van 11 augustus 2016 van Rijswijk Wonen een sociale huurwoning. In 2019 is huurder een relatie aangegaan. Haar partner is bij haar ingetrokken en hij heeft zich per 23 juli 2020 ingeschreven op het adres van de woning. Op enig moment is de relatie geëindigd en heeft huurder de huurovereenkomst op 21 oktober 2024 opgezegd per 29 november 2024. De ex-partner heeft zij hier niet van op de hoogte gesteld.
Enkele dagen na de huuropzegging heeft de ex-partner Rijswijk Wonen verzocht om hem medehuurderschap toe te kennen. Rijswijk Wonen heeft voormeld verzoek op 1 november 2024 afgewezen. Reden waarom de ex-partner naar de rechter is gestapt om via de rechter medehuurderschap te verkrijgen. Rijswijk Wonen heeft de rechter verzocht om de vorderingen van de ex-partner af te wijzen vanwege de hierna te noemen omstandigheden:
- het verzoek tot medehuurderschap was niet door huurder en de ex-partner gezamenlijk gedaan;
- de huurder en ex-partner zouden feitelijk al in maart 2023 uit elkaar zijn gegaan en zij waren op zoek naar een andere woonruimte. Van een duurzame gemeenschappelijke huishouding zou dus allang geen sprake meer zijn;
- de ex-partner heeft onvoldoende onderbouwd dat hij de huur zal kunnen voldoen. Hij heeft bovendien al een huurachterstand van twee maanden laten ontstaan;
- de ex-partner zou te veel verdienen voor een sociale huurwoning
Juridisch kader
Voor samenwoners is het mogelijk om door instemming van de verhuurder of na een gezamenlijk verzoek aan de rechter medehuurderschap te verkrijgen. Dit verzoek moet wel eerst tot de verhuurder zijn gericht. Pas nadat het verzoek door de verhuurder is afgewezen of er drie maanden zijn verstreken zonder dat de verhuurder heeft ingestemd, dient een vordering te worden ingesteld bij de rechter (artikel 7:267 lid 1 BW).
Een rechter kan het verzoek om medehuurderschap afwijzen, indien de samenwoner gedurende ten minste twee jaren geen hoofdverblijf heeft gehouden in de woning en geen sprake is geweest van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen de huurder en de samenwoner. De vordering kan ook worden afgewezen als de strekking daarvan is om de samenwoner op korte termijn de positie van huurder te verschaffen, dan wel als de samenwoner vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur (art. 7:267 lid 3 BW).
Oordeel kantonrechter
Volgens de kantonrechter heeft de ex-partner tijdig, kort na het einde van de duurzame gemeenschappelijke huishouding, een verzoek tot medehuurderschap ingediend. Dat het verzoek niet samen met de huurder is gedaan, staat volgens de kantonrechter aan het doen van het verzoek niet in de weg. Volgens de kantonrechter is de huurder niet geschaad in haar belangen, omdat zij de huurovereenkomst zonder overleg heeft opgezegd en de woning heeft verlaten.
De kantonrechter stelt verder vast dat de ex-partner aan de hand van zijn loonstroken voldoende heeft aangetoond dat hij over een stabiel inkomen beschikt om de huur te kunnen voldoen. De huurachterstand zou te wijten zijn aan de door verhuurder gestarte gerechtelijke (ontruimings)procedures en de bijbehorende kosten voor de ex-partner. De kantonrechter vindt het aannemelijk dat de huurachterstand op korte termijn zal worden ingelopen.
Tot slot verwerpt de kantonrechter de stelling dat de ex-partner te veel zou verdienen voor sociale huur, omdat dit geen afwijzingsgrond in het kader van artikel 7:267 lid 3 BW is.
De ex-partner wordt met terugwerkende kracht per 1 november 2024 medehuurderschap toegekend.
Wat betekent dit voor verhuurders?
Deze uitspraak laat opnieuw zien hoe ver de wettelijke huurbescherming reikt — ook voor bewoners die formeel geen huurder zijn. Voor verhuurders is het daarom essentieel om bij een huuropzegging direct in kaart te brengen wie er in de woning wonen en welke rechten zij kunnen ontlenen aan artikel 7:267 BW. Een achterblijvende partner kan immers blijkens deze uitspraak alsnog met succes medehuurderschap afdwingen, zelfs wanneer de huurovereenkomst al is opgezegd.
Rechtbank Den Haag 11 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12507
