Op 3 juli 2025 heeft de Tweede Kamer het (gewijzigde) wetsvoorstel Wet collectieve warmte (Wcw) aangenomen. Dit najaar behandelt de Eerste Kamer het wetsvoorstel en naar verwachting treedt de wet per 1 januari 2026 in werking.
Een van de belangrijkste doelen van de wet is het zorgen voor duurzame en betrouwbare levering van warmte en het beter beschermen van consumenten tegen hoge kosten. De systematiek van de wet is dat slechts het door het college van burgemeester en wethouders (“het college”) aangewezen warmtebedrijf warmte mag leveren, binnen een eveneens door het college aangewezen warmtekavel tegen tarieven die zijn gebaseerd op de (efficiënte) kosten van dat kavel. Kort gezegd is de hoofdregel dus dat het niet-aangewezen warmtebedrijven verboden is om warmte te leveren. Hierop zijn uitzonderingen mogelijk in de vorm van ontheffingen.
Wet collectieve warmte aangenomen: wat betekent dit voor verhuurders?
Levering door verhuurders
Verhuurders die al warmte leveren aan huurders of van plan zijn dat te gaan doen, zijn – net als onder het huidige regime van de Warmtewet – grotendeels ontheven van de verplichtingen die uit de Wcw voortvloeien. Toch schept de Wcw ook een aantal verplichtingen voor verhuurders die de Warmtewet niet kende. De belangrijkste aandachtspunten bespreek ik hieronder.
- Tariefsystematiek Wcw
Verhuurders zijn – net als onder de werking van de huidige Warmtewet – na inwerkingtreding van de Wcw niet gebonden aan de tariefsystematiek van de Wcw. Zij moeten de warmtelevering aan hun huurders namelijk afrekenen op grond van de servicekostenregeling[1]. De wetgever acht de huurder daardoor al voldoende beschermd. Daar komt bij dat het – vanzelfsprekend – niet de bedoeling is om in dezelfde situatie terecht te komen als toen de Warmtewet nog wel op verhuurders van toepassing was. Dat leidde namelijk tot botsende tariefstructuren, waarin uiteindelijk de Hoge Raad in het Acantus-arrest[2] heeft bepaald dat de servicekostenregeling vóór de Warmtewet ging. - Ontheffing verbod op levering
2.1 Na inwerkingtreding van de Wcw zijn verhuurders die daarvoor al warmte leverden aan hun huurders verplicht om dat binnen een half jaar na inwerkingtreding van de Wcw te melden bij het college. Hierop zijn twee uitzonderingen. Er hoeft geen melding gemaakt te worden van de levering als de verhuurder: (i) aan maximaal 20 huurders met een aansluiting van maximaal 100 kilowatt (kleinverbruikersaansluiting) levert; of (ii) zelf een leveringsovereenkomst heeft met het warmtebedrijf en de warmte slechts doorlevert aan zijn huurders. Wanneer de verhuurder meldingsplichtig is, is hij na de melding 30 jaar lang ontheven van het verbod op warmtelevering door een niet-aangewezen warmtebedrijf.[3]
2.2 Verhuurders die na inwerkingtreding van de Wcw warmte willen gaan leveren, zijn verplicht het voornemen daartoe te melden bij het college, tenzij sprake is van de hiervoor in 2.1 genoemde uitzonderingen onder (i) of (ii).[4] Als de (voorgenomen) levering plaatsvindt buiten een door het college aangewezen warmtekavel, dan is de verhuurder na de melding 30 jaar lang ontheven van het verbod op warmtelevering door een niet-aangewezen warmtebedrijf.[5] Als de verhuurder warmte wil gaan leveren binnen een door het college aangewezen warmtekavel, dan is de situatie anders. In dat geval heeft het college de bevoegdheid om te bepalen of de verhuurder een ontheffing dient aan te vragen.[6] Als het college niet (tijdig) beslist dat een ontheffing aangevraagd moet worden, dan wordt de ontheffing geacht verleend te zijn. Als het college wél bepaalt dat de ontheffing aangevraagd moet worden, dan wordt die ontheffing alleen niet afgegeven als het aangewezen warmtebedrijf dat warmte levert binnen die warmtekavel aannemelijk heeft gemaakt dat (i) zij door de ontheffing die de verhuurder zou krijgen geen redelijk rendement meer kan behalen; of (ii) door de ontheffing de tarieven voor andere verbruikers significant verhoogd moeten worden.[7] - Melden significante wijziging
Verhuurders die na de inwerkingtreding van de Wcw warmte zijn gaan leveren, zijn verplicht om “significante” wijzigingen daarin te melden aan het college. Niet duidelijk is wat daar precies onder wordt verstaan, maar dit zullen omstandigheden zijn die relevant zijn voor de ontheffing. - Overdracht rechtsopvolger
Vrijstellingen en ontheffingen verkregen na inwerkingtreding van de Wcw kunnen worden overgedragen aan een andere verhuurder (rechtsopvolger), maar dienen gemeld te worden bij het college. - Facturen en bemetering
De verhuurder die na inwerkingtreding van de Wcw warmte is gaan leveren is gebonden aan de in de Wcw voorgeschreven wijze van factureren en de manier waarop het verbruik gemeten wordt.[8]
Toezicht en handhaving
Overtreding van deze verplichtingen kan gehandhaafd worden door de door het college aangewezen personen en/of de ACM door middel van het opleggen van een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete.
Conclusie
Na inwerkingtreding van de Wcw vallen ook verhuurders onder het verbod om warmte te leveren zonder daartoe aangewezen te zijn. Ontheffing hiervan is mogelijk, maar hiervoor moet de verhuurder zelf actie ondernemen. De verhuurder moet bestaande systemen dus tijdig melden en zich er bij de ontwikkeling van nieuwe systemen van bewust zijn dat melding eveneens verplicht is.
Als u vragen hebt over dit onderwerp, kunt u contact opnemen met Rick van Yperen.
[1] Door de inwerkingtreding van het gewijzigde Besluit servicekosten per 1 januari 2026 valt de (door)levering van warmte en koude weer onder het begrip ‘servicekosten’.
[2] Hoge Raad 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:61 r.o. 3.2.2.
[3] Artikel 13.13 Wcw
[4] Artikel 4.1 lid 1 Wcw
[5] Artikel 4.1 lid 2 Wcw
[6] Artikel 4.1 lid 3 Wcw
[7] Artikel 4.2 lid 2 Wcw
[8] Artikel 4.6 jo. artikel 2.37, 2.41 – 2.43 Wcw
