Informatieplicht van de woningcorporatie na overlijden van de huurder
Voortzetting huurovereenkomst na overlijden huurder De wet bepaalt in artikel 7:268 lid 1 BW dat bij het overlijden van de huurder ‘de medehuurder’ de huur voortzet. Wie is die medehuurder? Dat kan zijn de echtgeno(o)t(e) of geregistreerd partner van de overleden huurder (artikel 7:266 BW), of een persoon die van de verhuurder het medehuurderschap heeft verkregen , en zijn hoofdverblijf in de woning heeft (artikel 7:267 BW).Op grond van lid 2 van voornoemd artikel zet een andere persoon die in het gehuurde achterblijft de huurovereenkomst slechts voort gedurende een periode van zes maanden na het overlijden van de huurder, mits die persoon: 1) zijn hoofdverblijf heeft in de woning en 2) een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde met de overleden huurder. Die persoon zet de huurovereenkomst ook nadien voort, als hij binnen die termijn van zes maanden een procedure tot voortzetting van de huurovereenkomst instelt bij de rechter en de rechter daar positief op beslist.In 2003 oordeelde de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2003:AF2683) dat deze zes-maandentermijn in beginsel strikt gehanteerd moet worden en alleen in bijzondere gevallen aan de kant kan worden gezet, namelijk als een beroep op de zes-maandentermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Verder volgt uit het arrest dat een verhuurder niet verplicht is om de achterblijver actief op deze termijn te wijzen. Dat initiatief lag volledig bij de achterblijver en ik schrijf bewust lag, want de Wet bescherming weeskinderen lijkt dat te nuanceren als de verhuurder een toegelaten instelling (woningcorporatie) is.
9 april 2026






































